Het Slot vererfde nadien achtereenvolgens op Jacques Joseph van Vilsteren en dan diens zonen François, Nicolaes en Théodore die allen kinderloos stierven. Met als gevolg dat het domein in handen kwam van Maria-Theresia van Vilsteren, hun zus die gehuwd was met Libert-François Christijn (1703-1785), telg uit een familie van ambtsadel die door een weloverwogen huwelijkspolitiek een indrukwekkend aantal heerlijkheden en baronieën had verworven, waaronder Ribaucourt in Frankrijk. In 1796 ontsnapte het slot aan de vernieling bij de bezetting door de Sansculotten. Wel werd de klok uit de hoofdtoren neergehaald en werden beschadigingen aangericht in de kapel. De meeste wapenschilden werden toen weggehakt.
Eén van zijn nakomelingen, Robert, graaf de Ribaucourt, die de bedoeling had het goed permanent te bewonen liet het restaureren door de Leuvense architect P. Langerock. Maar de Eerste Wereldoorlog en het schielijk overlijden van zijn zoon maakten een einde aan die plannen en het kasteel verwerd stilaan tot een ruïne. Van 1923 tot 1927 woonde de volksschrijver en reporter Jef Crick er samen met zijn vrouw in een vleugel. Ook de kunstenaars E. De Buck en H. Broeckaert namen er tijdlang hun intrek.
Om het te redden van de totale ondergang werd het kasteel in erfpacht gegeven van Charles, baron Gillès de Pelichy, die architect De Tracy aantrok voor een grondige restauratie. Volgens Dr. Patrick Devos “bleek die taak zo groot dat de aangevatte werken stilvielen, zodat het kasteel aan een onherroepelijke overrestauratie ontsnapte.”
In 1943 werd het kasteel beschermd als monument. Er drong zich derhalve een blijvende oplossing op. De vzw Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België werd bereid gevonden die aanzienlijke taak op zich te nemen. De laatste privé-eigenaar, Robert-Christian, graaf de Ribaucourt, schonk de bijna compleet tot ruïne vervallen burcht aan de vereniging in 1953, waarop onmiddellijk enkele dringende werken aangevat werden. Vanaf 1962 ving de nieuwe voorzitter van de vereniging, ridder Joseph de Ghellinck d’Elseghem, grootschalige werken aan en in 1967 kon het slot worden opengesteld voor het publiek. Daartoe had De Ghellinck het gelijkvloers van slot laten herinrichten met veelal 17e-eeuwse meubelen, wandtapijten en schilderijen.
Tijdens diens mandaat schonken de heer en mevrouw Claude D’Allemagne de Europees vermaarde collectie zilver aan het Slot. De 446 zilveren siervoorwerpen worden sindsdien tentoongesteld in een speciaal daartoe ingerichte zaal op het eerste verdiep. Het echtpaar betrok er het appartement tot aan het overlijden van Claude in 1986.
Het was de toenmalige voorzitter van de vzw Historische Woonsteden, prins Alexandre de Merode, die in 1987 ondergetekende en zijn echtgenote aanwees als inwonende beheerders van het Slot. Het oude poortgebouw, de vestibule, de kapel, de loggia, de bedaking, het binnenplein, de omwallingen, de hovingen, de noordelijke vleugel, de paviljoenen en zo meer, werden grondig aangepakt. In 1996 werd aan het Slot de prestigieuze Europa Nostra Prijs toegekend.
Paul, jonkheer de PESSEMIER ’s GRAVENDRIES
Bestuurder van de Koninklijke Vereniging der Historische Woningen & Tuinen van België en van het Slot van Laarne.